herroeping beeindigingsovereenkomstTwee weken herroepingstermijn als de beëindigingsovereenkomst dat recht van de werknemer vermeldt of 3 weken als dat niet zo is. Dat is helder onder de WWZ. Maar wat geldt nu als een medewerker eerst herroept en zijn gemachtigde daarna laat weten dat de medewerker toch akkoord gaat met de herroepen vaststellingsovereenkomst? Zit de medewerker dan vast aan de overeengekomen beëindiging of blijft de herroeping die tijdens de bedenktermijn is overeengekomen gelden? De rechter in Rotterdam heeft daarover onlangs uitspraak gedaan.

De casus. In 2015 praat werkgever Hertel met diens werknemer over de beëindiging van het dienstverband. Op 21 september geeft de gemachtigde van werknemer akkoord op de vaststellingsovereenkomst, die de werknemer ondertekent en dateert op 28 september 2015. De gemachtigde herroept bij brief van 9 oktober 2015 de getekende beëindigingsovereenkomst.

Op 3 november 2015 stuurt de gemachtigde van de werknemer aan de werkgever een e-mail. Daarin geeft hij aan dat de werknemer berust in de beëindigingsovereenkomst.

De werknemer vordert voor de rechtbank doorbetaling van loon en ook wedertewerkstelling. Werknemer zet dit kracht bij met de stelling dat hij de beëindigingsovereenkomst binnen de in artikel 7:670b lid 2 BW genoemde termijn van 14 dagen heeft ontbonden.

De eerste vraag die moet worden beantwoord door de rechter is wanneer de vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen. In de wetsgeschiedenis valt te lezen dat ‘[v]anwege het grote belang van een werknemer bij een arbeidsrelatie [ervoor is] gekozen om werknemers die schriftelijk instemmen met een opzegging of die een beëindigingsovereenkomst ondertekenen een bedenktermijn van veertien dagen te gunnen om hierop terug te kunnen komen’ (Kamerstukken II 2013/14, 33818, 7, p. 56-58). Verder blijkt uit de wetgeschiedenis dat voor de tekst van het artikel is aangesloten bij het wetsartikel over het concurrentiebeding, dat ook het schriftelijkheidsvereiste kent  (Kamerstukken II 2013/14, 33818, 9, p. 17-18). De Hoge Raad heeft op 28 maart 2008 (JIN 2008/288) geoordeeld dat aan het schriftelijkheidsvereiste is voldaan indien sprake is van ondertekening door de werknemer. Daarom is de ondertekening door de werknemer op 28 september 2015 doorslaggevend.

Dit betekent dat bij brief van 9 oktober 2015 op zich tijdig is herroepen.

Daar is echter overheen gegaan de berusting van 3 november 2015, zoals de gemachtigde toen per e-mail aan de werkgever liet weten. De werknemer sputtert dat hij nooit opdracht heeft gegeven aan zijn gemachtigde om deze e-mail te verzenden. De rechter wijst de loonvordering en de wedertewerkstelling af. De rechter oordeelt namelijk dat de werkgever op de mededeling van berusting mocht vertrouwen. In die zin is de eerdere herroeping dus door de werknemer zelf aan de kant gezet, althans dat komt voor zijn rekening en risico. De rechter gaat uit van een overeengekomen beëindiging van het dienstverband per 3 november 2015 en houdt de werknemer daaraan.

De uitspraak leert ons 3 dingen, namelijk:
(1) dat de datum van ondertekening door de werknemer van betekenis is;
(2) dat het tijdig uitgeoefende herroepingsrecht dus niet absoluut en zaligmakend is. Het is mogelijk dat een eerdere herroeping niet meer geldt als werknemer daarna alsnog laat weten toch weer akkoord te zijn met de beëindiging. Het tweede akkoord geldt dan;
(3) dat de werkgever bij dit soort discussies mag afgaan op wat de gemachtigde van de werknemer zegt (gerechtvaardigd vertrouwen).

U kunt de hele uitspraak hier lezen.

Bel voor vragen en advies uw arbeidsrecht advocaat in Amsterdam op 020-7607799 of bezoek http://www.renesnip.nl voor meer informatie over kantoor.

Bron: René Snip Advocatuur, mede met dank aan VAAN.

 

Advertenties